
Nokkenas
De nokkenas wordt normaal vanaf het midden van de krukas
aangedreven door middel van een ketting met gemakkelijk toegankelijke
spaninrichting. De nokkenas is voorzien van nokken voor aandrijving van
het uitlaatklep hefmechanisme, de brandstofpompen en de
aanzetluchtschuifjes. Laatstgenoemde zijn aan een der einden van de
nokkenas in een gemeenschappelijk huis ondergebracht. De uitlaat- en
brandstofnokken zijn gedeeld uitgevoerd en, gemakkelijk verstelbaar, in
paren gegroepeerd, namelijk één nok voor vooruit en één voor achteruit.
Voor het omkeren van de draairichting wordt de nokkenas in axiale
richting verschoven met behulp van druklucht, nadat eerst alle nokrollen
van de nokken zijn verwijderd met behulp van een zogenaamde omkeeras.
Elke cilinder heeft een eigen separate brandstofpomp.
Deze pomp is boven de nokkenas zo dicht mogelijk bij het cilinderdeksel
geplaatst. Daardoor kunnen zeer korte brandstofdrukleidingen worden
toegepast, wat van groot belang is voor het gebruik van zware olie. De
pomp wordt aangedreven door de verstelbare brandstofnok door middel van
een rol met rolhouder. De brandstofhoeveelheid wordt geregeld aan het
eind van de pompslag door het lichten van de zuigklep, geheel zoals bij
de oorspronkelijke Stork-Hesselman motor. De brandstofklep is een
veerbelaste naaldklep van het normale type, die wordt geopend door de
druk van de brandstof. De naaldklep met geleiding en zitting, zomede de
afzonderlijke verstuiver kunnen eenvoudig en gemakkelijk worden
verwisseld.
De brandstofkleppen worden gekoeld met dieselolie bij de motoren die
alleen bestemd zijn voor het gebruik van dieselolie. Voor het gebruik
van zware olie moeten de brandstofkleppen echter met zoet water worden
gekoeld.

De veerbelaste klep wordt door de brandstofdruk geopend

Elke cilinder heeft een eigen separate brandstofpomp, die direct
boven de nokkenas is geplaatst.

De proefstand in de fabriek te Hengelo
Deze 10 cilinder motor kan een vermogen ontwikkelen van 12.500 aspk bij 115-118 omw/min.

Elke motor komt voor aflevering op de proefstand.


Smering en oliekoeling
Alle inwendige draaipunten worden onder druk gesmeerd.
De olie voor smering en zuigerkoeling wordt door een afzonderlijk
opgestelde pomp geleverd. De hoofdlagers worden op de normale wijze
gevoed vanuit een gemeenschappelijke toevoerleiding. Een aan de kolom.
bevestigde scharnierpijp brengt de smeren koelolie onder druk naar een
stoel aan het kruishoofd van waaruit de olie wordt geperst naar het
krukpenlager, de kruishoofdlagers en de leislof, en naar de onderzijde
van de zuigerstang voor koeling van de zuiger. In de toevoer naar de
kruishoofdlagers bevindt zich een hogedrukpomp, die is bevestigd op
bovengenoemde stoel aan het kruishoofd. Deze bestaat uit twee
plunjerpompen, die hun beweging ontlenen aan de schommelende beweging
van de kruishoofdlagers.
Deze pompen persen de olie onder hoge druk naar de kruishoofdlagers,
waarbij de opbrengst maximaal is, als de zuiger in het onderste of
bovenste dode punt staat, dus ook juist gedurende het moment dat de
maximale verbrandingsdruk wordt bereikt. De koelolie wordt aan de
zuigerkop toegevoerd via het ondereinde van de zuigerstang door een pijp
in de centrale boring van deze stang en vervolgens afgevoerd door de
ringvormige ruimte tussen deze pijp en de zuigerstangboring. Via een
pijp met smooropening, welke is bevestigd aan het kruishoofd, wordt deze
olie vervolgens gespoten in een, van een verticale sleuf voorziene pijp,
die tegen de kolom is bevestigd. Hieruit vloeit de olie, via een
aflooppijp met kijkglas en thermometer buiten de motor, af naar een
verzamelpijp, welke langs de fundatieplaat is aangebracht.
De cilindervoering wordt gesmeerd door een mechanisch bewogen
smeerapparaat met zichtbare smering, dat gedreven wordt door een op- en
neergaande stang, die verbonden is met de scharnierpijp in de krukkast
en aan de bovenzijde verlengd is tot op hoogte van het cilinderdeksel,
voor aandrijving van de indicateur. De cilinder-smeerleidingen zijn op
de flens van de voering over de gehele omtrek aangesloten. De
cilindersmeerolie wordt in de voering door verticale boringen naar
beneden geleid. Vervolgens wordt deze olie door radiaal gerichte
smeergaatjes op het loopvlak van de voering gebracht.
De manoeuvreerstand bevindt zich normaal in het midden van de motor voor bediening vanaf de machinekamervloer, en omvat een manoeuvreerwiel en een omkeerhandel, die onderling vergrendeld zijn, alsmede een brandstofhandel voor het regelen van de belasting en een regulateurhandwiel voor het instellen van de veiligheidsregulateur. Brandstofhandel en regulateur zijn beide gekoppeld aan de regeling van de brandstofpompen. De tachometer voor het motortoerental is boven het manoeuvreerwiel bevestigd, terwijl tachometers voor de drukvulgroepen aan het bordes rechts boven de manoeuvreerstand zijn opgehangen. De nodige manometers zijn boven de manoeuvreerstand in een overzichtelijk meterbord ondergebracht en thermometers voor controle van koelwater- en uitlaatgassentemperatuur zijn in de leidingen op de topbordessen goed zichtbaar bevestigd.

This site was last updated 11/23/09